Thuis & in de Wereld

Elaine Reichek
(USA)

back























Tentoonstelling/Exposition
30.06.00-27.08.00
Paleis voor Schone Kunsten/
Palais des Beaux-Arts
Vereniging voor Tentoonstellingen/
Société des expositions
Koningstraat10 Rue Royale
Brussel 1000 Bruxelles
Van dinsdag to zondag
/du mardi au dimanche
10 -18u/h
docpba@skynet.be


 

..Volgens mij worden een heleboel kunstenaars, en ik mag mezelf zeker daartoe rekenen, naar de kunst geleid door een soort allesverslindende visuele honger in hun kindertijd – door een prille behoefte aan visuele ervaringen en het plezier dat ze eraan beleven. Als ze jong zijn kan dat plezier worden gewekt door de meest uiteenlopende voorwerpen, en als ik er nu voor ging zitten zou ik nog de patronen op sommige jurken die in mijn jeugd in de kast van mijn moeder hingen of de tegels op de keukenvloer kunnen tekenen. Maar naarmate je ouder wordt en een serieuze belangstelling voor beelden ontwikkelt, ga je jezelf verdiepen in de geschiedenis van die beelden en die verdieping leidt onherroepelijk tot een selectieproces: het ene is de aandacht waard en het andere weer niet; dit is kunst, zet het op je lijstje, dat is slechts decoratie en doet verder niet mee. In positieve of negatieve zin heeft elke vorming, of die nu zelfstandig of binnen een instituut plaatsvindt, grote invloed op de kunstenaar die je eventueel zult worden.

.. Ik groeide op in New York, een hoofdstad van het modernisme, en bracht als meisje en tiener de nodige tijd door in het Museum of Modern Art. Toen ik naar de kunstschool ging werd in het lesprogramma vooral aandacht besteed aan de formalistische principes van de moderne schilderkunst. Als gevolg daarvan zijn de specifieke geschiedenis en zienswijze van het modernistisch formalisme en de preoccupatie van de formalist met krachtige beelden en visuele analyse voor mij een tweede natuur geworden, die voorgoed in mijn manier van denken verankerd is. Tegelijk had ik net als veel andere kunstenaars van mijn generatie grote moeite met het programma van insluiting en uitsluiting en de impliciete keuzes van de formalistische scholing, die in mijn ogen vele gebreken vertoonde. Mij werd consequent geleerd dat het enige werkelijke onderwerp van kunst de kunst zelf was; maar er hadden duidelijk meer onderwerpen aan de orde moeten komen dan de principes toestonden.

.. Mijn hele carrière heb ik me beziggehouden met ideeën over de verhouding tussen kunst en cultuur, tussen culturen en andere culturen en tussen de mensen onderling. Ik heb allerlei vormen van kunst gemaakt – installaties, op foto’s gebaseerde werken en ander werk op conceptuele grondslag – maar de materialen die ik het meest heb gebruikt zijn katoen, zijde, wol, linnen en verder alles wat te maken heeft met borduren, breien en aanverwante bezigheden die traditioneel met vrouwen in verband worden gebracht. Voor mij heeft het formeel en intellectueel ambitieuze gebruik van die expressiemiddelen een hele seksuele subtekst. Maar dat is precies waar mijn opleiding weer de kop opsteekt, want de belangstelling voor de eigenschappen en impliciete betekenissen van tastbare materialen ligt uiteraard in de lijn van een formalistische scholing; alleen: als de keuze van die materialen met andere criteria in het achterhoofd wordt gemaakt, gaat er een hele nieuwe gedachtenwereld open. In ieder geval betekent ‘Thuis & in de wereld’ voor mij in sommige opzichten de terugkeer van iets dat ik had verdrongen: hoewel het onder andere een betoog is over de beperkingen van formalistische preoccupaties, komen ze vervolgens toch weer bovendrijven.
Het nieuwe werk heeft als onderwerp zwart en wit. Die kleuren – of liever plaatsen aan de uitersten van het kleurenspectrum, waar kleur ophoudt te bestaan – zijn al heel lang verbonden met de geschiedenis van het modernisme, dat berucht is vanwege zijn preoccupatie met het zuiveren van het palet van de kunstenaar, of het nu gaat om een beperking tot de primaire kleuren of de (bijna) volledige uitbanning van alle kleur als zodanig. Die beschrijving is duidelijk een simplificatie van een eeuw kunst, die gelukkig een grotere verscheidenheid kende dan sommige makers destijds bereid waren te erkennen; maar dit is niet de plaats om de recente revisionistische tendens samen te vatten. Ik wil alleen maar zeggen dat ik, voordat het revisionisme de kop opstak, studeerde bij Ad Reinhardt, wiens haast mystieke pogingen de laatste, ultieme modernistische schilderijen te produceren – zuiver retinale schilderijen met als enige inhoud een visuele ervaring – hem de bijnaam ‘zwarte monnik’ opleverden. Reinhardts laatste schilderijen waren uiteraard (bijna) helemaal zwart.

.. Dat het belang van kleurloosheid in het modernisme – van het wit, het zwart en alle schakeringen van grijs daartussen – verder reikt dan Reinhardt, hoeft geen betoog. Als voorbeeld denk ik aan de metalen en het vilt van de minimalisten, die kleur beschouwden als een aanstootgevende decoratieve huid en alleen toelieten voor zover het al deel uitmaakte van het gebruikte materiaal; en ik denk aan de context van de modernistische kunst, de galerie als ‘white cube’ – een ruimte ontworpen om elk besef van geschiedenis en lichamelijkheid uit te bannen en een tijdloze esthetiek op te roepen, die los staat van de smoezelige werkelijkheid van het leven. De witte wand, het witte doek, de lege witte bladzijde – ze spoken allemaal door het modernistische denken.

.. In de huidige fin de siècle kunst – pluralistisch, eclectisch en diep getekend door de pop art, de conceptuele kunst, de politiek na de jaren ’60 en nog veel meer – lijkt het bijna een grap een zo elementair formeel probleem als kleurenkeus aan de orde te stellen. Maar dergelijke keuzes hebben een diepe metaforische betekenis en hangen samen met de politieke werkelijkheid. Vrij associërend op ‘wit’ zou een analysant achtereenvolgens kunnen noemen: het ziekenhuis en de verpleegster – hygiëne. Huishoudelijk werk – witter dan wit, schoner dan schoon – en de huiselijke, ahistorische binnenruimte die gewoonlijk met vrouwen wordt geassocieerd. De uitsluiting van het decoratieve, dat ook met vrouwen in verband wordt gebracht. De uitsluiting van met name de vrouwelijke seksualiteit – het idealiseren van het maagdelijke, het onbezoedelde, het ongepenetreerde, het gedeseksualiseerde, het pure. Het levenloze, het dode. Sneeuw en ijs: kou tegenover warmte, noord tegenover zuid, geest tegenover lichaam. Abstracte rationaliteit. Het uitbannen van kleur: een onderdrukkende, uitwissende taal. Het overwitten of verbergen van een geheim (witte verf kan alles bedekken). De biecht die van zonde reinigt. Het kolonialisme en het gevoel van raciale superioriteit dat de Victoriaanse Britten deed spreken van ‘the white man’s burden’, de taak – de verantwoordelijkeid – om aan de wereld leiding te geven. De witte plek op de landkaart, het onbekende. De aanspraak op neutraliteit, de aanspraak op perfectie. Stilte, verlatenheid, leegte, wanhoop.
Als je een sessie aan ‘zwart’ wijdt wordt de lijst even lang. Terwijl de vroegere in ‘Thuis & in de wereld’ tentoongestelde merklappen ideeën over naaldwerk traceren aan de hand van een selectie van zijn talloze verschijningsvormen als thema in de literatuur en de beeldende kunsten, gebruiken de nieuwe boorduurwerken zwart en wit om allerlei zaken aan de orde te stellen die een kunstenaar als Reinhardt door een steeds verdere reductie van zijn palet dacht af te schudden: politiek, ras, seksualiteit, cultuur en samenleving.

.. Een beschrijving van het hele ontstaansproces van deze werken zou veel tijd in beslag nemen en ik weet niet zeker of ik het zou kunnen – ik hoop dat het werk voor zichzelf spreekt – maar zelf hoor ik er kunstenaars graag over praten en de rest van dit stuk is een weergave van een aantal gedachten die tijdens het maken van deze borduurwerken in zwart-wit door mijn hoofd speelden. Mijn bedoeling was ze op te hangen in een bepaalde logische volgorde die loopt van literatuur via kunst en ras terug naar literatuur en ras. Het begint allemaal met een paar citaten uit de roman van Edith Wharton over New England in de winter: een passage over een man en een vrouw die zich binnen aan elkaars gezelschap warmen wordt afgezet tegen de koude, ‘witte uitgestrektheden’ buiten. In de door mij geciteerde regels wordt een seksuele metafoor ingebed in de beschrijving van een vrouw die met naaiwerk bezig is. Ik gaf het werk een lange, smalle vorm om uitdrukking te geven aan de geïsoleerde ligging van het huis. Warmte binnen, kou buiten – thuis en in de wereld.

.. In het volgende werk werden citaten uit Herman Melvilles verhaal ‘The Tartarus of Maids’ en Thomas Hardy’s roman Tess of the d’Urbervilles verwerkt. Het verhaal van Melville speelt zich af in een papierfabriek waar blanke vrouwen blanco bladzijden vouwen; het boek van Hardy gaat over het lot dat in het wezen van een vrouw gegrift is. Beide hebben dus te maken met het schrijven of griffen op een witheid die met het vrouwenlichaam samenvalt, alweer een idee dat impliciet of expliciet seksueel is. Het borduurpatroon is gebaseerd op een negentiende-eeuwse merklap – het soort borduurwerk dat vrouwen vervaardigden tijdens een periode van rouw. Het was me opgevallen dat heldinnen vaak in het wit gekleed gaan – een Victoriaanse roman van Wilkie Collins, The Woman in White, ontleent zelfs zijn titel aan dat gebruik – en voor de laatste literaire merklap in de reeks heb ik daarvan een paar voorbeelden uitgekozen: de Lady of Shalott (haar naam is overigens Elaine), die al in een eerder werk in deze tentoonstelling voorkomt, en Hamlets verloofde Ophelia gezien door de ogen van Rimbaud. De Engelse komedieschrijver Sheridan sluit het werk af.

.. Vervolgens gaat de tentoonstelling over op kunst. Het werk van Lawrence Weiner belichaamt datgene wat ook wel is aangeduid als de dematerialisatie van het kunstwerk in de late jaren ’60 en vroege jaren ’70; de groep werken die ik me voor de volgende reeks borduursels heb toegeëigend zijn geen concrete voorwerpen, maar aanwijzingen voor het maken ervan. Wezenlijk voor Weiners werken, waarin woorden de plaats innemen van het kunstenaarshandwerk, is het idee en eigenlijk ook de fysieke realiteit van de galerie als een witte kubus, een witte bladzijde waarop Weiner kan schrijven. Voor mij zijn deze borduurwerken ook een soort grap over het maken van formalistische beelden: elk ervan bestaat in werkelijkheid uit twee vierhoeken, een wit en de ander grijs, maar de context dwingt je ze te lezen als wand en vloer, vooral omdat ik linnen heb gekozen met de kleur van gestort beton.

.. Sampler (Optic White) is een geborduurde kopie van Roy Lichtensteins White Brushstroke 1 (1965). Door een penseelstreek te schilderen deconstrueerde Lichtenstein een betekenaar die wezenlijk was voor een vorige generatie schilders: de abstract expressionisten en hun volgelingen beschouwden de spontane beweging van de hand over het doek als het ultieme kunstscheppende gebaar. Lichtenstein keerde dat idee binnenstebuiten door de penseelstreek in een duidelijk van te voren uitgestippelde, arbeidsintensieve vorm af te beelden. Mijn versie is nog arbeidsintensiever. Tevens ondermijnde Lichtenstein het idee van spontaneïteit door te verwijzen naar massaproductie en te schilderen in een puntraster dat aan de druktechniek is ontleend; de puntjes geef ik op mijn beurt met borduursteken weer. In feite hebben borduurwerken met de gedrukte halftinten en de uit pixels bestaande computerbeelden gemeen dat ze uit kleine, zorgvuldig gecontroleerde fragmenten zijn opgebouwd. Dat inzicht leidt tot vragen over het maken van afbeeldingen in het algemeen en over de relatieve waarde die wordt toegekend aan de verschillende manieren om een beeld samen te stellen – een onderwerp dat in mijn kunst teruggaat tot werk uit de jaren ’80, reproducties van foto’s in gebreide wol.
In Sampler (White) zit een lange episode uit de 20ste-eeuwse kunst vervat. Het werk, waarin geborduurde kopieën van witte werken van Jasper Johns, Agnes Martin en Robert Rauschenberg geplaatst zijn naast citaten van Theo van Doesburg, Le Corbusier, Kasimir Malevitsj en Robert Ryman, behandelt allerlei modernistische ideeën over witheid – haar zuiverheid, superioriteit, moderniteit en neutraliteit. Als een soort commentaar op die ideeën heb ik ook een reeks traditionele patronen opgenomen van wit-op-wit geborduurde merklappen die van lang voor de modernistische periode dateren. Het allerlaatste borduurwerk dat gebaseerd is op vroegere kunstwerken neemt als uitgangspunt een bekend werk van Marcel Broodthaers, dat zelf weer uitgaat van Stéphane Mallarmés Un coup de dés. De weerkaatsingen, weerspiegelingen en transparantie waar de poëzie van Mallarmé vol van is, heeft Broodthaers weggewerkt door de woorden met zwarte balken door te strepen zodat de nadruk komt te liggen op de visuele structuur van het gedicht op de witte bladzijde. Ik heb mijn eigen soort doorstrepingen gemaakt door Broodthaers’ zwarte balken met kruissteken weer te geven. En ik heb ook een versie op zwart linnen gemaakt waarop de balken als rijen witte pareltjes verschijnen. Dat heeft deels te maken met het herstel van de transparantie die Broodthaers uit Mallarmés gedicht verwijderde, maar is ook een uitbreiding van Mallarmés ideeën over het concretiseren van taal en het veranderen van woorden in tastbare materie – ideeën die Broodthaers weer oppikte toen hij de nadruk legde op de visuele vorm van het gedicht op de bladzijde. De groep werken over kunst begint dus met Lawrence Weiner, die de schilder- en beeldhouwkunst dematerialiseert door ze in woorden te vertalen, en eindigt met de omgekeerde beweging, waarbij taal materie wordt, tekst een tekstuur krijgt en parelende woorden in driedimensionale parelen veranderen.

.. Nu keren we met Albert Camus en Frantz Fanon terug naar de literatuur. In Sampler (It was very) zorgt de langgerekte horizontale vorm ervoor dat de taal materie wordt: de bedoeling is dat je langs het werk loopt om de tekst te lezen en op die manier letterlijk de verteller volgt in zijn lange tocht langs het strand om de Arabier te ontmoeten of samen met hem achter de kist van ‘maman’ loopt. Bij het lopen word je meegevoerd door de golvende vorm van de rode lijnen die naar het strand verwijzen en tegelijk lijken op prikkeldraad – of liever op de moderne, grootsteedse, vlijmscherpe variant ervan. Zwart en wit staan meestal in een scherp, grafisch contrast met elkaar; hier wilde ik dat het wit en het rood samen helder afstaken tegen de zwarte ondergrond, een intense concentratie van kleur die je bijna dwingt je ogen dicht te knijpen, zoals Camus’ verteller in het zonlicht zijn ogen dichtknijpt. (Omdat het werk zo groot en de ondergrond zo zwart is, krijgt het glas in de lijst een felle glans en weerspiegelt de bezoeker – dat vond ik ook mooi.) Beide teksten vinden hun oorsprong in Noord-Afrika, waar je letterlijk gek kunt worden van het witte licht van de middagzon en dus altijd beschutting zoekt. Hier geldt wit als verblindend en gevaarlijk. Op deze merklap treedt het rassenprobleem expliciet naar voren – eigenlijk al voor de tweede keer, want op Sampler (Optic White), afgeleid van Lichtensteins beeld van een penseelstreek, staat een citaat van de Afro-Amerikaanse schrijver Ralph Ellison over een zwarte man die bijna verdrinkt in een explosie van witte verf – verf die nog witter lijkt door de toevoeging van een afgemeten hoeveelheid zwart. Ellisons beeld is duidelijk een metafoor van de rassenverhoudingen in de Verenigde Staten.

.. Voor Emily Dickinson is wit de kleur van de wanhoop. Dat heeft iets treurigs, want ze stond er bekend om dat ze altijd witte jurken droeg. Ik heb haar gedicht over twee mensen die nooit samen zullen komen gecombineerd met het beeld van een tranend oog. Het is afgeleid van een eeuwenoud borduurpatroon dat me doet denken aan een oog in het werk van Magritte – die net als Broodthaers door het Paleis spookt, getuige een oude foto in het archief van het gebouw. (Trouwens, ook Lichtenstein, Warhol en Weiner hebben in deze ruimte geëxposeerd.) In het gedicht van Dickinson blijkt voor het eerst dat witheid in de Amerikaanse cultuur een vreemde onheilspellende kracht bezit, iets dat nog duidelijker naar voren komt in een borduurwerk met een citaat van Melville. In Moby Dick schreef hij dat ‘de gedachte aan witheid de ziel met schrik vervult’. Hier wordt de huidkleur zelf als erfzonde aangemerkt.

.. Van daaruit reikt het wit naar het sublieme en afschrikwekkende in twee borduurwerken over de twee uitersten van de aardbol, de heetste en de koudste plek, zoals zwart en wit zich aan de uitersten van het kleurenspectrum bevinden. Eerst citeer ik Joseph Conrads visie op Centraal Afrika als een witte plek, een leegte. (Elders noemde hij het natuurlijk ‘het hart der duisternis’.) Die opmerking wordt gecombineerd met een beeld dat ik in het Africa Museum in Tervuren heb gevonden, een beeld dat ontstond lang voordat Conrad schreef en dat de vele uiteenlopende volkeren van het overvolle continent in kaart brengt. Het tweede werk behandelt een ander aspect van de Europese expansiedrift, ditmaal naar de polen, gebieden vol ijsbergen, leegte en stilte.

.. Op het laatste nieuwe werk in mijn denkbeeldige rondgang door de tentoonstelling, dat is gebaseerd op een laat 18de-eeuwse merklap van de quakers, zijn de gronbeginselen van hun geloof – ‘Eenvoud, Vrede, Gelijkheid’ – in zwart geborduurd. De woorden zijn een uitdrukking van het krachtige puriteinse element in de Amerikaanse cultuur, een element dat zowel bij een kunstenaar als Weiner als in de minimal art duidelijk weer de kop opsteekt, en volgens mij ook in de Amerikaanse versie van het modernistisch formalisme die me als student werd bijgebracht. (Ik heb overigens niets tegen de quakers; ze gaan op een weldadige manier met hun puritanisme om.) Nu ben ik weer terug bij mijn uitgangspunt, en ook Ad Reinhardt schreef dat je ‘weer bij het begin moest beginnen, telkens opnieuw’, een regel die ik in een van de vroegere werken in de tentoonstelling citeer – daarnaast gebruik ik ook een citaat van Homerus’ Penelope, die elke dag haar werk weer vanaf nul herneemt, en een motto van de Schotse koningin Mary Stuart, ‘In mijn einde is mijn begin’. Dit soort cirkelgang is natuurlijk ook inherent aan het naaldwerk, want elke steek herhaalt de beweging van de vorige en begint bijna op dezelfde plaats. Het is een bezigheid die de hartslag volgt. Dat brengt mij op een ander soort terugkeer, want ik hoop dat de bezoeker van ‘Thuis & in de wereld’, die de paden volgt waarlangs de verwijzingen en citaten voeren, er ook op een andere manier plezier aan beleeft – het meeslepende plezier dat ik vond in de jurken in mijn moeders kast en de tegelpatronen op de keukenvloer.

Uit het Engels vertaald door Walter van der Star